Between

De succesvolle verbinding
tussen organisaties en talent

Bekijk onze meest recente aanvragen

In 2016 hebben we al {{ counter }} aanvragen voor onze klanten in behandeling mogen nemen

Niet de opdracht gevonden waar u naar zocht?

Een transparante arbeidsmarkt voor iedereen

Between verzekert u altijd van de juiste medewerker tegen de beste voorwaarden

Mensen tot elkaar brengen en met elkaar verbinden doen wij sinds 2000. Onze klantadviseurs en recruiters spannen zich iedere dag enthousiast voor u in om de optimale balans te vinden tussen de vraag naar en het aanbod van tijdelijke medewerkers. 

Als opdrachtgever kunt u er daarom op rekenen dat wij precies die ene kandidaat voor u vinden die uw project naar een hoger plan tilt of uw belangrijke opdracht tot een goed einde brengt. En bent u zelf zzp’er of hebt u medewerkers in dienst voor wie u een opdracht zoekt? Dan helpen wij u of uw medewerker graag aan een interessante tijdelijke functie of uitdagend project.

Inhuur van tijdelijke medewerkers brengt veel aspecten met zich mee waar u als opdrachtgever in de dagelijkse praktijk misschien niet direct aan denkt. Ook hierbij staan wij u met raad en daad terzijde. Van advies over de almaar veranderende wetgeving en de zekerheid dat u het juiste tarief betaalt voor uw inhuur. Tot aanbevelingen omtrent uw inhuurproces en het opstellen van heldere functieprofielen.

Wij hanteren bij onze werkwijze de persoonlijke aanpak. Onze medewerkers staan daarom altijd voor u klaar en staan u graag te woord.

Want persoonlijk contact leidt uiteindelijk tot de mooiste resultaten.

 

En voor actuele informatie volgt u Between op LinkedIn:

 

Dit is wat ons op het moment bezighoudt

Lees over wat er gebeurt bij Between en in de wereld van tijdelijke inhuur

Haastige spoed is... nogal Wiebes

Door Vincent van der Mark op 2-10-2015

Vrijdag 25 september heeft staatssecretaris Wiebes de Memorie van Antwoord (MvA) gestuurd in reactie op vragen van de fracties uit de eerste kamer. Dit gaat over de vervanging van de VAR door de modelovereenkomsten (DBA). Uit de MvA blijkt, dat ondanks de stevige kritiek uit verschillende hoeken, staatssecretaris Wiebes geen problemen voorziet en de DBA gewoon per 1 januari 2016 in werking kan en laat treden.

Net als tal van anderen lijkt ook mij dit geen goede gang van zaken. Dit wordt zowel ingegeven door het grotere geheel, waar Wiebes in zijn antwoorden volledig aan voorbijgaat als mede door de details van de regeling zelf én de praktische handhaving hiervan. Het lijkt eerder een persoonlijke prestigeslag in de categorie symptoombestrijding om de VAR af te kunnen schaffen voor 2016 dan een echte verbetering en aanwinst voor ons fiscale stelsel en de handhaving hiervan. 

 

Kans in plaats van probleem

Het belang van de zzp’ers in de Nederlandse economie is in de afgelopen jaren enorm toegenomen. Uit een recente publicatie van ZZP-barometer blijkt dat de zzp’ers inmiddels goed zijn voor 9,4% van het bruto binnenlands product. Dit is dus niet een groep voor wie je met haast en spoed een essentieel onderdeel van hun bestaansrecht overhoop gooit. Daarnaast snap ik oprecht niet waarom Wiebes niet wacht op de kabinetsreactie van het Interdepartementale Beleidsonderzoek inzake zzp’ers (IBO-ZZP). Het is toch een ideale mogelijkheid om alle aspecten, dus inclusief de fiscale behandeling in samenhang te beoordelen.

Vanuit het bedrijfsleven zien we steeds meer de nadruk op en groei naar (strategische) flexibele schillen. Goede voorbeelden hiervan zijn de accountancy branche en de advocatuur. Dit onderstreept de verandering in de economie en de arbeidsmarkt. De huidige fiscale wetgeving omtrent arbeidsrelaties, waarvan Wiebes nu alleen de handhavingsmethodiek tracht te repareren, dateert in beginsel van 1965. De huidige economie en arbeidsverhoudingen verschillen toch echt significant van die uit 1965. Waarom dan niet de kans grijpen om de problematiek van de VAR te gebruiken om de (fiscale) behandeling van de aan belang winnende zzp’ers en de verandering die dit op ons sociale stelsel heeft, grondig aan te pakken en klaar te stomen voor de komende decennia? Dit in plaats van te blijven sleutelen aan iets wat eigenlijk niet meer lijkt te passen. Met name de impact op de sociale voorzieningen voor zowel de zzp’er als de niet-zzp’er zal daarin een groot punt van aandacht zijn.

Een structurele vernieuwing gaat ook een positieve bijdrage leveren aan de concurrentiepositie van de Nederlandse (open) economie. Toevallig stond recent (30 september) een artikel op nu.nl over de concurrentie posititie van Nederland. Nederland staat in de top 5 van meest concurrerende economieën ter wereld. Nederland wordt hierin geroemd om onder andere het macro-economische beleid, de hervormingen van de arbeidsmarkt en de blijvende focus op innovatie. Door de VAR te vervangen door de nu voorgestelde methodiek van modelovereenkomsten zal hier eerder afbreuk aan worden gedaan dan dat de positie versterkt wordt. De VAR is geïntroduceerd om het werken met zzp’ers te stimuleren en minder ‘eng’ te maken door vooraf rechtszekerheid te verschaffen aan de opdrachtgever (én opdrachtnemer). Als dit wegvalt, want de modelovereenkomst biedt mijns inziens ook geen rechtszekerheid vooraf, althans niet op een effectieve en efficiënte wijze, is dit eerder twee stappen terug dan een stap voorwaarts.

 

Te kort door de bocht

In de inleiding van zijn antwoord geeft Wiebes aan dat het doel van het wetsvoorstel (DBA) is om de balans tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te herstellen en daarmee de handhavingsmogelijkheden te verbeteren. Secundair dient de modelovereenkomst meer duidelijkheid vooraf te geven omdat een VAR slechts schijnzekerheid zou bieden.

De modelovereenkomsten moeten beide punten oplossen doordat de opdrachtgever (mede) verantwoordelijke wordt voor de terechte vaststelling van de zelfstandigheid van de opdrachtnemer, naheffingen bij de opdrachtgever mogelijk te maken en meer zekerheid vooraf te bieden.

Om met de eerste twee punten te starten: uit het hele MvA krijg ik het gevoel dat Wiebes aanneemt dat de zzp’er een zelfstandige is die hiertoe gedwongen wordt door de opdrachtgever. Indien door een controle van de belastingdienst achteraf wordt geconstateerd dat er eigenlijk sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking dan wordt alleen de zzp’er en niet de, in de ogen van Wiebes medeschuldige, opdrachtgever hierop afgerekend in de vorm van een naheffingsaanslag.

Als ik naar de zzp’ers kijk waar Between zaken mee doet dan klopt dit beeld van de zzp’ers totaal niet. ‘Onze zzp’ers’ zijn relatief hoogopgeleide professionals die bewuste kiezen voor deze fiscale vorm van werk uit liefde voor hun vak en de drang om daar zelfstandig invulling aan te kunnen geven. Zij zijn helemaal geen slachtoffer van de opdrachtgever. Ik denk dan ook niet dat deze zzp’ers zo behandeld moeten worden.

Bovenstaande neemt niet weg dat ik de gedeelde verantwoordelijkheid op zich een goed idee vind. Echter als ik de MvA goed lees dan komt de controleplicht en verantwoording volledig bij de opdrachtgever te liggen. De naheffingsaanslagen zullen immers aan de opdrachtgever opgelegd worden, blijkens de MvA. Wiebes lijkt hier te zeggen, de belastingdienst kan het niet controleren dus laat de opdrachtgevers het maar voor de belastingdienst controleren. Als het dan fout gaat dan reken ik dat de opdrachtgevers aan. Dit is prima voor de elementen die de opdrachtgever kan overzien en invloed op kan uitoefenen, maar niet voorzover het punten betreft waar de opdrachtgever dit niet kan. De opdrachtgever hiervoor een naheffingsaanslag opleggen staat gelijk aan de Volkswagenrijders een boete geven voor het rijden in een dieselauto die toch niet zo schoon rijdt als gedacht.

Punt 3 betreft de verhoogde zekerheid in vergelijking met de ‘schijnzekerheid’ van de VAR. Een modelovereenkomst, het woord zegt het al, is een model waar dus meerdere praktijksituaties onder moeten vallen. Inherent aan deze eigenschap is dat een dergelijke overeenkomst relatief globaal vorm gegeven zal moeten worden. Immers anders wordt het een specifieke overeenkomst en geen modelovereenkomst.

Afbeelding Wiebes ANP

Staatssecretaris Wiebes. Foto: ANP

En hier zit nu net het probleem met de te verkrijgen rechtszekerheid. De criteria voor zelfstandigheid en dienstbetrekking blijven namelijk ongewijzigd. Zoals bij elke fiscale behandeling zijn het ook hier de feiten en omstandigheden die de daadwerkelijke doorslag geven of sprake is van een dienstbetrekking dan wel zelfstandigheid. Het antwoord op deze ogenschijnlijk makkelijke vraag is meer complex dan het lijkt. Artikel 8 van het commentaar op artikel 15 van het OESO-modelverdrag geeft een indicatie wanneer wel en wanneer geen sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Dit is dan wel gericht op verdragssituaties, maar het principe blijft gelijk.

Doordat het antwoord op deze simpele vraag zo afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden wordt het moeilijk om een model te creëren waar meerdere praktijksituaties onder vallen. Dit merken wij ook in het overleg dat wij met de Belastingdienst hebben omtrent de modelovereenkomsten. De Belastingdienst wil de overeenkomsten relatief gedetailleerd geformuleerd zien. Hetgeen logisch is gezien het lastige onderscheid tussen zelfstandige- en dienstbetrekkingen. Dit houdt in dat de modelovereenkomsten minder generiek worden, specifieker zijn en daardoor minder praktijksituaties dekken. Er zullen dus meer overeenkomsten opgesteld moeten worden dan het verwachte aantal generieke modelovereenkomsten. Dit lijkt eerder op een lastenverzwaring dan een lastenverlichting uit te draaien. Het alternatief is genoegen nemen met meer generiek geformuleerde overeenkomsten. Het risico is dan dat er bij een controle achteraf discussies gaan ontstaan over de beoordeling op basis van de feiten en omstandigheden. Met andere woorden minder zekerheid vooraf.

 

De intermediair is schuldig tot de onschuld bewezen is

Een onderscheid wordt gemaakt tussen het zogenoemde bemiddelingsmodel en het zogenoemde tussenkomstmodel. De rol van intermediair wordt grondig onderschat door Wiebes, dan wel moedwillig ingeperkt. Met name ten aanzien van het tussenkomstmodel. De fictieve dienstbetrekking van art. 2a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wil Wiebes niet buitenwerking stellen. Wiebes merkt hierover op dat “in dergelijke driehoeksituaties waar de intermediair feitelijk opdrachtgever is, het lastig is om aan te tonen of er sprake is van een gezagsrelatie. Doordat gezag lastig is aan te tonen kan vaak niet worden bewezen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst of uitzendovereenkomst. De fictieve dienstbetrekking voor uitzendkrachten leidt ertoe dat er loonheffingen moeten worden afgedragen of voldaan, ongeacht of er feitelijk sprake is van een gezagsrelatie”. Hier lijkt Wiebes te zeggen je bent schuldig tenzij je je onschuld kan bewijzen. Dit is naar mijn idee de omgekeerde wereld. Een van de gevolgen hiervan is dat een zzp’er die via een intermediair een opdracht aanvaart bij eenzelfde opdrachtgever als de zzp’er die daar direct een opdracht mee aangaat fiscaal anders behandeld wordt. Terwijl de feitelijke situatie niet heel anders is. In beginsel is het enige verschil immers dat de bemiddeling en de administratieve afhandeling via de intermediair lopen. Dit is naar mijn mening te kort door de bocht en doet de praktijk onrecht aan.

 

Werkelijke omvang van het ‘probleem’

Op pagina 6 geeft Wiebes aan “handhaafbaarheid van wetgeving is een prioriteit. Hoe sneller deze VAR-systematiek dan ook wordt vervangen hoe beter”. Dit impliceert dat er sprake is van een groot probleem. Een probleem dat op kort termijn voor alle partijen grote schade kan aanrichten. Op pagina 8 vervolgt Wiebes dat er een probleem is met de handhaving van de VAR, in de zin dat de verkeerde VAR wordt afgegeven en dat controle en naheffing achteraf vrijwel onuitvoerbaar is. De VAR waarbij de belastingdienst het meeste ‘geld misloopt’ bij onterechte verstrekking is de VAR-wuo. Volgens Wiebes is de omvang hiervan niet goed vast te stellen. Wel stelt Wiebes dat er voldoende signalen uit de markt en de uitvoeringspraktijk zijn dat “er behoefte is aan reparatie”.

Ter illustratie haalt Wiebes aan dat “van 1.688 controles bij zzp’ers op de VAR-wuo, tussen de 10% en 20% van de VAR-wuo’s is herzien. Deze controles zijn zowel aselect als risicogericht geselecteerd.”

Volgens mij is dit eerder een indicatie dat het probleem helemaal niet zo groot is en dat daarom de haast die Wiebes heeft met de afschaffing van de VAR niet gerechtvaardigd is. Als we nog eens goed naar de door Wiebes zelf aangehaalde cijfers kijken dan blijkt dat van de (deels) risicogericht geselecteerde VAR-wuo’s 80% tot 90% van de VAR-wuo’s terecht is afgegeven.

Dus van de afgegeven VAR-wuo’s is eerst een risicoanalyse gemaakt. Vervolgens is van de populatie (deels) een selectie gemaakt van de VAR-wuo’s waar het risico op fouten het hoogst wordt geschat. Daarvan blijkt vervolgens 80% tot 90% toch correct. Dit betekent dat dit percentage op de totale populatie waar ook VAR-wuo’s met een minder hoog risico zich in bevinden naar verwachting nog hoger is.

Overigens is de range van 10% tot 20% wel erg globaal, helemaal als je ziet dat de totale gecontroleerde populatie ‘slechts’ 1.688 controles bevat. Het percentage zou veel concreter weergegeven moeten kunnen worden. Zeker gezien de absolute omvang van de controles.

Zoals eerder gesteld ben ik niet tegen een verandering, in tegendeel. Naar mijn mening is de geboden haast van Wiebes niet noodzakelijk. Ik pleit dan ook voor een meer structurele oplossing in plaats van deze ‘reparatie’ en dat zal waarschijnlijk meer tijd nodig hebben om voor te bereiden, maar dit voorkomt dat we op korte termijn  een dergelijke discussie opnieuw starten.

 

Conclusie

De VAR is een slachtoffer van zijn eigen succes. Hoewel slechts in de minderheid van de gevallen de VAR ten onrechte blijkt uitgegeven of misbruikt te zijn is een aanpassing inderdaad gewenst. Dit betwist ik ook zeker niet. Ik pleit er alleen voor dat Wiebes geen overhaaste beslissingen neemt, maar in plaats daarvan dit ‘probleem’ gebruikt en omzet in een kans om Nederland nog sterker op de kaart te zetten door de wetgeving dusdanig aan te passen dat het beter aansluit op de veranderde samenleving met meer flexibele arbeid.

De voorgestelde vervanging in de vorm van modelovereenkomsten is niet alleen praktisch vrijwel onuitvoerbaar het is oude wijn in nieuwe zakken. We gaan terug naar de individuele beoordeling vooraf, maar met name ook achteraf. Met het risico voor opdrachtgevers dat zij achteraf een naheffing krijgen als blijkt dat de realiteit niet conform de vooraf voorziene situatie blijkt te zijn. Dit is prima voor de elementen die de opdrachtgever kan overzien en daar invloed op kan uitoefenen, maar niet voor zover het punten betreft waar de opdrachtgever dit niet kan. Logisch gevolg kan zijn dat opdrachtgevers minder bereid zullen zijn zzp’ers in te huren, er is immers minder fiscale rechtszekerheid vooraf dan dat de VAR biedt. Dit terwijl de economie met de strategische flexibele schillen (bijvoorbeeld in accountancy, juridische dienstverlening en zorg) juist wel om vooruitgang en flexibilisering vraagt.

De rol van intermediair wordt daarnaast ook grotendeels buitenspel gezet. Met name het tussenkomstmodel, doordat de fictieve dienstbetrekking van art. 2a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 niet buiten werking wordt gesteld. Hier lijkt Wiebes te zeggen dat je schuldig bent tenzij je je onschuld kan bewijzen. Is dit de rechtszekerheid die Wiebes voor ogen heeft?

 

Update 20 oktober 2015

Over precies een week wordt het wetsvoorstel Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties plenair behandeld in de Eerste Kamer. Althans zou behandeld worden, want vandaag heeft Wiebes in een Nota naar aanleiding van het verslag 34 036 (PDF) de Eerste Kamer om uitstel gevraagd.

Reden voor het uitstel is dat Wiebes meer tijd nodig heeft om een transitieplan uit te werken. Het voorstel is nu om:

  • Datum inwerktreding  1 april 2016 (streefdatum)
  • Het wetsvoorstel heeft geen terugwerkende kracht.
  • Overeenkomsten die voor 1 februari 2016 worden voorgelegd aan de Belastingdienst, zullen voor 1 april zijn beoordeeld
  • Er geldt een implementatietermijn tot 1 januari. Tot die tijd zal de Belastingdienst wel toezicht houden, maar nog geen repressieve handhavingsmaatregelen nemen.

Echter bij een geconstateerde overtreding voor of na 1 januari 2017 zal de periode vanaf 1 april 2016 ook meegenomen worden in de bepaling van de naheffing.

Dit uitstel is echter geen afstel. Uit de nota blijkt dat Wiebes nog steeds voornemens is de voorgestelde methodiek van de modelovereenkomsten ongewijzigd door te voeren. Mijn kritiek hierop blijft dan ook onverminderd van toepassing. Naast alle eerder aangehaalde praktische en handhavings bezwaren is mijn grootste punt van kritiek blijft mijns inziens het gemis aan innovatie. Ik blijf het zonde vinden dat dit ‘probleem’ niet wordt omgezet in een kans om Nederland nog sterker op de kaart te zetten door de wetgeving dusdanig aan te passen dat het beter aansluit op de veranderde samenleving met meer flexibele arbeid.

Het uitstel voorkomt wel de chaos op korte termijn. Het geeft alle partijen meer tijd om hun huiswerk te doen. Heel korte termijn inderdaad, want het uitstel is maar 3 maanden. Tenzij het een 1 april grap blijkt te zijn....


mr. drs. Vincent van der Mark RA
Manager Contracting en Finance bij Between B.V.

 

Bronnen:

Blog
belastingen
contracting
Modelovereenkomst
Regelgeving
VAR
Wiebes